
Jurisprudentie
BA2215
Datum uitspraak2007-04-04
Datum gepubliceerd2007-04-04
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200606404/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-04-04
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200606404/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 18 juli 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een veehouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 20 juli 2006 ter inzage gelegd.
Uitspraak
200606404/1.
Datum uitspraak: 4 april 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 juli 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een veehouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 20 juli 2006 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 29 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2006, beroep ingesteld.
Bij brief van 14 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door H. Radstaak en W. Halfman, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. In het verweerschrift en ter zitting is door verweerder opgemerkt dat de beroepsgrond dat de ten aanzien van de woning van appellant gehanteerde categorie-indeling als bedoeld in de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) onjuist is, niet als zienswijze tegen het ontwerp van het besluit naar voren is gebracht. Voor zover verweerder meent dat het beroep om die reden in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, overweegt de Afdeling als volgt.
Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten. Appellant heeft zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot het aspect stankhinder. De vorenbedoelde beroepsgrond heeft daar eveneens betrekking op. Er bestaat derhalve geen grond om het beroep op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren.
2.2. Appellant stelt dat verweerder zijn woning ten onrechte heeft ingedeeld in categorie IV, in plaats van categorie III, als bedoeld in de Wet stankemissie. Volgens appellant is bij de beoordeling bovendien ten onrechte geen rekening gehouden met op zijn perceel geplande nieuwbouw voor wonen en recreatie.
2.2.1. Verweerder is van mening dat de woning van appellant terecht is ingedeeld in categorie IV als bedoeld in de Wet stankemissie. De door appellant geplande nieuwbouw behelst naar het oordeel van verweerder geen redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer.
2.2.2. Daargelaten of, en zo ja in hoeverre, in het kader van de Wet stankemissie betekenis toekomt aan artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, is de Afdeling van oordeel dat de door appellant geplande nieuwbouw niet kan worden aangemerkt als een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling als bedoeld in die bepaling. Daarbij acht de Afdeling van belang dat ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van een concreet bouwplan waarvoor een bouwvergunning was aangevraagd. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder de door appellant geplande nieuwbouw bij de beoordeling had moeten betrekken.
Niet in geschil is dat ten aanzien van de woning van appellant, zowel wanneer deze wordt ingedeeld in categorie III als wanneer deze wordt ingedeeld in categorie IV, aan de op grond van de Wet stankemissie aan te houden afstand wordt voldaan, zodat er in zoverre geen reden bestond om de onderhavige vergunning te weigeren.
2.3. Het beroep is ongegrond.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Plambeck
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007
159-462.

